Bij deze bepalingsmethode van levende cellen (bacterien) wordt uitgegaan van het principe dat 1 bacteriecel na groei een hele buis met vloeibaar medium troebel maakt (en eventueel van kleur verandert of andere verschijnselen laat zien).
Van het te onderzoeken monster, meestal drinkwater, zwemwater of oppervlaktewater, wordt een verdunningsreeks gemaakt en vanuit de verdunningen wordt in drievoud of in vijfvoud (alle ander vouden zijn in principe mogelijk) 1 ml in een buis met vloeibaar medium gepipetteerd.
De buizen worden geïncubeerd (lekker warm weggezet bij de lievelingtemperatuur van de te bepalen bacterie) en daarna wordt gekeken welke buizen groei vertonen.
Bij de verdunning waarbij een of enkele buizen groei vertonen en ook een of enkele buizen geen groei vertonen, mag men aannemen dat er in de buizen met groei 1 bacterie is beland.
Deze ene bacterie kwam uit 1 ml van de betreffende verdunning, in die verdunning zit dan 1 bacterie per ml, in het onverdunde monster de verdunningsfactor X 1.
Stel het was de 100 X keer verdunning, waarbij zowel heldere als troebele buizen ontstaan na incubatie van 1 ml in een vloeibaar medium, dan zaten in het monster zelf ongeveer 100 cellen per ml.
Dit is erg globaal geredeneerd, bij 200 of 300 krijg je een vergelijkbaar resultaat. Maar het zal duidelijk zijn dat hoe meer bacteriën in het monster hoe meer buisjes van het reeksje van drie of vijf troebel worden.
Om het wat preciezer te weten te komen zijn er gelukkig tabellen, waarop dit is af te lezen. Deze tabellen zijn helaas wat lastig: je moet goed opletten wat er bij de tabel voor hoeveelheden monster zijn ingezet en wat je zelf hebt ingezet.
In de tabel staan telkens de uitkomsten (aantal positieve buizen) van drie opeenvolgende verdunningen genoemd.
Hieronder een voorbeeld : 
Je hebt ingezet: onverdund, 10X verdund en 100X verdund oppervlaktewater,dat is in de buizen 1 ml, 0,1 ml en 0,01 ml.
je vindt als resultaat 5, 2 en 0 positieve buizen.


Het resultaat is dan (lees af uit tabel hieronder) 5 per ml, dit is het meest waarschijnlijke aantal (Most Probable Number = MPN)
Een volgende keer onderzoek je 10X, 100 X en !000X verdund water, je vindt weer 5, 2 en 0 positieve buizen. Nu moet je je realiseren dat je 10x zo weinig hebt ingezet als in de tabel,dus 0,1, 0,01 en 0,001 ml  je resultaat wordt dan 10 X zo hoog, je vindt weer 5 maar dit is 5 in 0,1 ml (nu de grootste ingezette hoeveelheid)dus 50 in 1 ml!
Tabel voor 5 porties van 1 ml, 0,1 ml en 0,01 ml

 aantal positieve buizen Meest waarschijnlijke  
 1 ml 0,1 ml 0,01 mlaantal(MPN) per ml
1000,2
1100,4
2000,4
2100,7
2110,9
2200,9
3000,8
3101,1
3111,4
3201,4
3211,7
3301,7
4001,3
4101,7
4202,2
4212,6
4302,7
4313,3
4403,4
5002,3
5103
5103
5115
5126
5205
5217
5229
5308
53111
53214
54013
54113
54117
54222
54328
54435
55024
55130
55250
55390
554160

 
Ook grote hoeveelheden monster kunnen worden ingezet. Bijvoorbeeld 100 ml, 10 ml, en 1 ml. Aan deze hoeveelheden wordt vloeibaar medium toegevoegd en na incubatie wordt op groei, en eventueel ook op gasvorming en/of zuurvorming beoordeeld.
 De MPN methode is vooral zeer geschikt voor het aan­to­nen van kleine aantallen levende m.o. in bijvoor­beeld lei­dingwa­ter. Grote volumes aan monster worden ingezet (kan dit ook bij de bepaling van het kiemge­tal?) door er vloeibaar medium in geconcen­treerde vorm aan tot te voegen(of anders­om). Nadat extra geconcen­treerd medium en mon­ster aan elkaar toege­voegd zijn is de concen­tratie aan voedings­stoffen in de vloeistof weer gelijk aan de con­centraties in een normaal medium zodat de eventueel aanwezige m.o. kunnen gaan groei­en(voor zover de selecti­viteit van het medium dat natuurlijk toelaat).

Hieronder volgt een voorbeeld:
Op een drinkwaterbedrijf wordt leidingwater ingezet waarbij een monster in hoeveelheden van 100,10 en 1 ml (elke hoe­veelheid in triplo) wordt onderzocht op colifor­men.(die gas vormen in dit medium uit lactose)
Bij elk monster wordt een 10 x zo klein volume aan zeer gecon­cen­treerd (10X) medium toegevoegd en een gasopvangbuisje (durhambuisje).

De proef geeft na incubatie de volgende resul­taten te zien :

de monsters van 100 ml: alle vijf troebel met gas­ontwik­ke­ling.

de monsters van 10 ml:twee helder,drie troebel waar­van twee met gasontwikkeling.

de monsters van 1 ml:alle vijf helder.

Beoordeling : weer 5 2 0, nu 5 in de grootst ingezette hoeveelheid, dus 5 coliformen per 100 ml = 0,05 per ml.