Associatieflora
Welke micro-organismen zitten in welk voedsel?
De samenstelling van de uiteindelijke flora is het gevolg van:
1. Het levensmiddel zelf, de fysische en chemische eigenschappen bepalen de groeimogelijkheden van micro-organismen, hierbij vindt vrijwel altijd een selectie plaats , zodat het product bepaalt welke micro-organismen wel en welke micro-organismen niet kunnen groeien. Men noemt dit ook wel de intrinsieke factoren
Die omstandigheden zijn:
- Wateractiviteit, hoeveel water is er voor de micro-organismen?
- Structuur,gehakt bederft sneller dan een stukje vlees
- Zuur, Zout, Zoet hoe meer hiervan hoe minder micro-organismen een kans krijgen
- Conserveermiddelen,toegevoegde remstoffen
2. de omgeving, de extrinsieke factoren:
3. Het gedrag en de wisselwerking van micro-organismen in het voedsel , de impliciete factoren
4. Het productieproces,
zijn er stappen waarbij micro-organismen gedood worden?
Is er kans op besmetting?
Doordat elk levensmiddel verschilt wat betreft bovengenoemde eigenschappen heeft elk levensmiddel zijn eigen karakeristieke microflora, en zal ook door andere micro-organismen bederven. Deze flora wordt de associatieflora of bederfflora genoemd. Zo bederft vlees eerder door bacterien en brood eerder door een schimmel.




